Vakmanschap is meesterschap
Wandbespannen is een arbeidsintensief proces. Het is een vak waarvan de vaardigheid in de praktijk moet worden geleerd. Voor Frans Hazenbosch gold de opleiding tot meubelstoffeerder als basis. Ervaring met verwerken van stoffen, interesse en verdieping in technieken maakt hem een
specialist in het aanbrengen van wandbespanningen. Bij iedere nieuwe bespanning komt de lat van het afwerkingsniveau hoger te liggen. Het is een boeiend vak waarin vaak met mooie kostbare stoffen wordt gewerkt in oude monumentale panden en voor zeer kritische opdrachtgevers.
Techniek in het kort
Als basis voor iedere klassieke wandbespanning dient een houten onderconstructie van latten (tengels) dat op of voor de wand wordt geplaatst, al dan niet nieuw geplaatst of gerestaureerd. Op plaatsen waar de rugleuningen van stoelen het behang of de stof zou kunnen raken, kan op verzoek horizontale stoellatten worden aangebracht. Daarnaast kunnen op plaatsen waar schilderijen opgehangen gaan worden, latten bevestigd worden waartegen de onderkant van de schilderijlijst kan rusten.
Omdat het geheel van de wandbespanning werkt als een spouwmuur ontstaat er stofcirculatie en mogelijk vochtophoping. Dit kan de kostbare bekleding van binnenuit aantasten en
verkleuren. Om dat te voorkomen is een speciale drager nodig. De klassieke methode is een betengeling van linnen weefsel dat wordt beplakt met blanco grondpapier en bij droging het linnen opspant. Tegenwoordig wordt ook wel gekozen voor een speciaal kunststof vlies. Beide methoden houden stofdeeltjes tegen en laten waterdamp door.
Bij een papieren eindafwerking wordt het behang vakkundig op de papieren ondergrond aangebracht. Bij een stoffen eindafwerking wordt eerst een molton weefsel aangebracht dat de uiteindelijke bekleding zijn mooie volle uiterlijk geeft. De bespanningsstof wordt vervolgens met spelden op zijn plaats en op spanning gezet. Daarna wordt de stof met nietjes gefixeerd en het geheel wordt afgewerkt met een bijpassend koord, band of latje.
Opzetten van betengeling
Wanneer een nieuwe betengeling volgens de klassieke methode wordt opgebouwd, dan wordt als basis gebruik gemaakt van behangerslinnen. Tegenwoordig is enkel nog een kwaliteit leverbaar die overeenkomt met het heellinnen no. 750 van vroeger. Het is, zoals de naam al aangeeft, een honderd procent linnen uitvoering. Het materiaal heeft een breedte van 190 centimeter met stevige zelfkanten. Deze zijn nodig om de banen aan elkaar te naaien. Dat wordt gedaan met de naaimachine. Origineel werden de banen met de hand aan elkaar bevestigd.
Ondanks dat deze methode bijna drie eeuwen oud is, vindt er ook innovatie plaats. Frans Hazenbosch heeft in een eerder project in samenspraak met Rijksmonumentendienst een soort slabbetje bedacht. Een strook stof wordt horizontaal op 15-20 cm hoogte vastgenaaid
aan de binnenzijde van het linnen. In de loop van de tijd kunnen er steentjes en gruis van de muur af kunnen vallen. Deze kunnen dan tussen het linnen en de spanlatten belanden. Dit geeft verdikkingen in het behang. Door het aanbrengen van het slabbetje wordt dit voorkomen.
Het linnen wordt aangebracht op de spanlatten met lijm en kleine spijkertjes. Het linnen wordt op draad met de nodige omslag op de wand aangebracht om eventuele welvingen in het oppervlakte te voorkomen. Spijkertjes worden gebruikt om het linnen op te spannen, maar geeft ook de gelegenheid om het later na te spannen. Het linnen wordt nu met beide handen om de spijkertjes getrokken. Naspannen kan nadat het een nacht op spanning heeft gestaan. Voordat het grondpapier erop wordt aangebracht, worden de spijkertjes gemenied om de mogelijkheid van roestvorming uit te sluiten.
Grondpapier aanbrengen
Het geheel wordt nu beplakt met grondpapier. Hierdoor krimpt het linnen enigszins en wordt het verder opgespannen. Als eerste wordt zacht grondpapier gebruikt. Deze papiersoort neemt veel water op en is vervormbaar. Dit grondpapier kan alleen in vellen gebruikt worden, want anders kan het door haar eigen gewicht scheuren. Na het inpappen van het papier met extra zware behangerslijm moet het direct worden verwerkt. De vellen grondpapier dienen zodanig te worden geplakt dat de verticale naden elkaar niet raken. Dit, om extra verdikkingen op die punten tegen te gaan. Het geheel wordt geplakt met een overlapping van maximaal een halve centimeter.
Direct na het aanbrengen, wordt dit grondpapier geschuierd. Door een harde borstel in een draaiende beweging over het papier te bewegen, wordt het papier in de structuur van het
linnen gedrukt. Hierdoor vormt het zich om de draden van het linnen en wordt het hechtingsoppervlakte vergroot. Na droging worden de naden voorzichtig geschuurd om een vlak en glad oppervlakte te krijgen. Het oppervlak moet gesloten blijven om stofdoorslag te voorkomen.
Een nieuwe laag, maar nu van hard grondpapier, zorgt voor een vlakke en nog sterkere ondergrond. Het verschil tussen zacht en hard grondpapier zit in weekbaarheid en in de vervormbaarheid. Hard grondpapier wordt in banen geleverd en wordt stotend verwerkt. Dit papier is zwaarder en kan minder vervormd worden. De functie van het harde grondpapier is om de oneffenheden van de schuiermethode weg te nemen. Het neemt ook aanzienlijk minder vocht op dan zacht grondpapier. Hierdoor wordt meer hechting verkregen met het uiteindelijke behang.
Bespanning van stoffen
Voor het aanbrengen van bespanningen van stof is het niet nodig, dat de traditionele methode van betengeling wordt aangebracht. Een speciaal microdoek kan uitstekend dienst doen als drager. Dit doek heeft dezelfde eigenschappen als betengeling: vochtregulatie en stofdeeltjes werend. Het is wel aanmerkelijk minder arbeidsintensief, dus goedkoper en veel minder kwetsbaar. Onder de mooie bespanningsstof wordt een moltondoek aangebracht. Dit maakt de uitstraling van de totale bespanning nog fraaier.
De spanstoffen worden ingemeten, op patroon gelegd en op maat geknipt. Het is belangrijk dat, afhankelijk van de patroonhoogte en -breedte, het dessin goed over de voornaamste
wand verdeeld wordt. De banen worden vervolgens secuur op patroon in de lengterichting aan elkaar gestikt. Vroeger werd dit met de hand aan elkaar genaaid, maar tegenwoordig wordt daar uiteraard een naaimachine voor gebruikt.
Bij het spannen moet er op worden gelet dat het patroon te lood wordt vastgezet. Dit geldt uiteraard in horizontale als verticale richting. Om een goed resultaat te verkrijgen wordt de stof eerst vastgezet met spelden. Zo’n 25 spelden per strekkende meter zijn daar voor nodig. Hierdoor zijn correcties nog altijd mogelijk. Daarnaast kan het nodig zijn de stof een nacht op te spannen, om vervolgens de stof verder aan te trekken. Voor het bevestigen gebruikte men vroeger kleine spijkertjes maar tegenwoordig zal een wandbespanning met een tacker en nieten op de tengellatten bevestigd worden. Tenslotte zal het bevestigingsmateriaal moeten worden afgedekt. Dat kan met afdeklijsten, passement of koord.
Bespanning van industrieel behang
Behang wordt aangeleverd in banen. Doorgaans zijn de banen circa 52 cm breed. Als dit een rapport heeft, worden de banen met overmaat op lengte geknipt. De verwerking van dit behang is hetzelfde als dat er op vlakke, vormvaste muren zou worden aangebracht. Het enige grote verschil is, dat de ondergrond van betengeling beweegt en kan vervormen bij te grote belasting. Daarbij kan het water uit de behangerslijm de ondergrond doen uitzetten en daardoor minder vormvast van worden. Na droging neemt de betengeling weer de uiteindelijke strakke vorm aan.
Bespanning van handbeschilderd behang
Handbeschilderd behang wordt aangeleverd in banen. Deze banen zijn ongeveer een meter breed en hebben een overmaat van circa 2,5 cm aan weerszijden. De banen (panelen) zijn opgebouwd uit stukken papier die halfsteens verband aan elkaar verlijmd zijn. Dit vereist een speciale manier van verwerken. De banen worden eerst op en tegen elkaar gelegd om het
totaal te bekijken. Daarnaast wordt het geheel gemeten om een indruk te krijgen van de vlakverdeling ten opzichte van de wand. Bij meerdere naden is het het beste om vanuit de middelste baan te werken. Hierdoor ontstaan in het proces minder problemen bij het aansluiten van vervolgbanen. De eerste baan wordt schoon gesneden waarbij nauwkeurig gekeken wordt, of deze goed uitkomt met de aansluitende baan.
Bij handgeschilderd behang kan niet stotend gewerkt worden. Door de opbouw met losse vellen, gaat het paneel zich gedragen als een soort patchwork. De banen zullen dan ook overlappend en vanuit een middenbaan moeten worden geplakt in het belang van een gewenst eindresultaat. De eerste baan wordt met schietlood uitgelijnd.
Het inpappen gebeurt met behangerslijm volgens het recept van zwaargebruik. Wanneer het inpappen begint, gaat de stopwatch lopen. Voor het inweken wordt bij alle banen zoveel mogelijk dezelfde tijd aangehouden. In de meeste gevallen zet het behang enkele centimeters in de lengte uit. Indien het een zeer duidelijk doorlopend patroon betreft, is een goede aansluiting gewenst.
Doordat het papier is opgebouwd uit kleinere stukken papier, zet het meer uit op het oppervlak en minder op de plaknaden. Het dient met zo min mogelijk wrijven richting de zijkanten aangebracht te worden. De lucht moet er wel achter vandaan en dit moet met uiterste voorzichtigheid gebeuren, daar met het aanwrijven en eventueel verwijderen van lijmvlekken het behang of het geschilderde beschadigd kan raken.
De combinatie van behang, betengeling en hard grondpapier maakt dat er een ruime droogtijd ingecalculeerd moet worden. Tussen het aanbrengen van de eerste baan en de volgende banen zit minstens een volle dag. Het paneel wordt tenslotte rondom afgezet met een houten, geschilderde ajourlijst of dunne afdeklatjes.![]()
